Informatie
Het Koninklijk Besluit (KB) van 25 april 2002
Het Koninklijk Besluit (KB) van 25 april 2002 (gecoördineerde versie van 10 april 2025) betreffende de financiering van Belgische ziekenhuizen
bevat een complex systeem van principes die aan de basis liggen van de ziekenhuisfinanciering.
De belangrijkste fundamentele principes van het KB zijn:
- Opdeling van het budget in vaste en variabele delen. Elk ziekenhuis ontvangt een budget dat bestaat uit:
- Een vast gedeelte: voornamelijk gebaseerd op structurele kosten (zoals investeringen).
- Een variabel gedeelte: afhankelijk van geleverde prestaties en het al dan niet realiseren van referentieaantallen (bijv. aantal ligdagen, behandelingen).
- Drie grote delen van het budget:
- Deel A: Investeringslasten
- A1: Investeringen & aanloopkosten
- A2: Korte termijn kredietlasten
- A3: Investeringen in medisch-technische diensten
- Deel B: Werkingskosten
- B1-B9: Kosten van gemeenschappelijke diensten, klinische diensten, ziekenhuisapotheek, sociale akkoorden, enz.
- Deel C: Correcties en inhoudingen
- Bijvoorbeeld voor supplementen in eenpersoonskamers of correcties uit vorige dienstjaren
- Vaststelling en toekenning per dienstjaar
- Een dienstjaar loopt van 1 juli tot 30 juni van het volgende jaar.
- Tenzij anders vermeld, wordt het budget jaarlijks vastgesteld
- Gedifferentieerde benadering per ziekenhuistype en dienst
- Specifieke budgetten bestaan voor o.a.:
- Acute ziekenhuizen
- Psychiatrische ziekenhuizen
- Sp-diensten (gespecialiseerde zorg)
- Brandwondencentra
- De toepassing van regels varieert naargelang het soort instelling en zorgvorm
- Activiteiten en referentieaantallen
- Vergoeding binnen het variabel budget is gekoppeld aan activiteiten (zoals klassieke opnames, daghospitalisatie).
- Deze worden getoetst aan referentieaantallen, die jaarlijks worden vastgesteld.
- Onder- of overschrijding kan leiden tot correcties in het budget
- Modaliteiten voor herziening en aanpassing
Budgetten kunnen worden bijgesteld bij:
- Overschrijding van referentieaantallen
- Opening/sluiting van ziekenhuisbedden
- Fusies of grote structurele veranderingen
- Overmachtssituaties (zoals pandemieën, bvb. COVID-19)
- Normenkoppeling en verantwoording
- Activiteiten moeten voldoen aan geldende erkenningsnormen.
- Alleen kosten die binnen de normatieve grenzen vallen, worden aanvaard voor budgettaire dekking
- Specifieke bepalingen voor sociale akkoorden
- Een deel van het budget (zoals B6 en B9) financiert voordelen toegekend aan personeel via sociale akkoorden of sectorale overeenkomsten.
Het Budget Financiële Middelen (BFM)
Het Budget Financiële Middelen (BFM) vormt een belangrijk onderdeel van de financiering van de Belgische ziekenhuizen en bepaalt in grote mate hoeveel middelen een ziekenhuis ontvangt.
Factoren zoals het aantal erkende bedden, zorgzwaarte, ligduur, pathologieën en specialisatiegraad spelen een cruciale rol in de berekening van het BFM.
Het BFM is bedoeld voor de dekking van de vaste kosten van een ziekenhuis (verplegend personeel + onroerend goed) en wordt uitbetaald aan de ziekenhuizen (erkenningsnummer).
De uitbetaling gebeurt voor ongeveer 80% op basis van maandelijkse betalingen door elk ziekenfonds volgens zijn aandeel van patiënten in het ziekenhuis
in de laatst bekende Minimale Ziekenhuisgegevens (MZG, op basis waarvan het BFM voor het betreffende begrotingsjaar is vastgesteld).
Verder voor ongeveer 10% op basis van een vaste prijs per opname (verpleegdagprijs) en voor ongeveer 10% op basis van het aantal gefactureerde (klassieke) ziekenhuisdagen.
In België worden erkende en verantwoorde bedden gebruikt als basis voor verschillende aspecten van de ziekenhuisfinanciering.
Dit onderscheid speelt een belangrijke rol bij de berekening van subsidies, budgetten en vergoedingen. De belangrijkste aspecten waarvoor deze bedden relevant zijn, zijn:
- Budget Financiële Middelen (BFM):
De financiering van algemene ziekenhuizen via het BFM houdt rekening met het aantal erkende bedden, omdat dit een indicatie geeft van de capaciteit en de omvang van het ziekenhuis.
Verantwoorde bedden worden gebruikt om de werkelijke activiteit en bezettingsgraad beter te weerspiegelen.
- Werkingstoelagen en Personeelsfinanciering:
De financiering van ziekenhuispersoneel (zoals verpleegkundigen en paramedici) wordt deels bepaald op basis van de verantwoorde bedden,
wat een correcter beeld geeft van de effectieve zorgverlening. Dit beïnvloedt de subsidies voor verpleegkundigen en andere ondersteunende diensten.
- Infrastructuur- en Investeringssubsidies:
Het aantal erkende bedden heeft een invloed op de subsidies die ziekenhuizen kunnen ontvangen voor infrastructuurwerken en nieuwe investeringen.
Dit speelt een rol in de toekenning van overheidsmiddelen voor de bouw en renovatie van ziekenhuizen.
- Bepaling van Normen en Vergunningen:
De overheid gebruikt het aantal erkende bedden om normen vast te leggen voor ziekenhuizen, zoals minimale personeelsvereisten en de organisatie van afdelingen.
De erkenning van een ziekenhuis en de eventuele uitbreidingen zijn hieraan gekoppeld.
- Tarieven en Honoraria voor Artsen: In sommige gevallen hebben erkende bedden een invloed op de berekening van honoraria en forfaitaire vergoedingen voor artsen,
vooral in gespecialiseerde diensten.
- Het verschil tussen erkende en verantwoorde bedden is belangrijk:
Erkende bedden zijn officieel goedgekeurde bedden volgens de overheidsnormen.
Verantwoorde bedden worden berekend op basis van de effectieve ziekenhuisactiviteit en kunnen afwijken van het erkende aantal. Dit wordt vaak gebruikt voor een eerlijkere verdeling van budgetten.
De Belgische overheid werkt aan hervormingen om de financiering minder afhankelijk te maken van erkende bedden en meer te baseren op effectieve activiteit.
Enkele mogelijke wijzigingen:
- Meer variabele financiering op basis van werkelijke ziekenhuisbezetting (verantwoorde activiteit).
- Vergoedingen per patiëntcase in plaats van forfaitaire beddensubsidies (pathologie financiering).
- Stimulering van daghospitalisatie en thuiszorg, waardoor de nood aan klassieke ziekenhuisbedden afneemt.
De grafieken tonen de evolutie van het Budget Financiële Middelen (BFM) voor de Belgische ziekenhuizen op 1 juli per budgettair type en per onderdeel op basis van de
cijfers en rapporten van de FOD VVVL:
- Type Acuut (A)
- Type Brandwonden (BRA)
- Type Geriatrie (G)
- Type Palliatief (PAL)
- Type Psychiatrie (P)
- Type Specialiteiten (SP)
- Budgettair type
- Budgettair onderdeel
Onderdelen van het Budget Financiële Middelen (BFM)
Het BFM bestaat uit de volgende onderdelen:
- Deel A: Investeringslasten
- A1 : de investeringslasten
- A2 : de korte termijn kredietlasten
- A3 : investeringslasten van medisch-technische diensten
- Deel B: Werkingskosten
- B1 : de kosten voor de gemeenschappelijke diensten
- B2 : de kosten voor de klinische diensten (B2 punten)
- B3 : de werkingskosten voor medisch-technische diensten
- B4 : de kosten die gedekt worden door het bijzonder bedrag voorzien in artikel 99 van de wet op de ziekenhuizen evenals de kosten die op een forfaitaire wijze worden gedekt
- B5 : kosten voor de werking van de ziekenhuisapotheek
- B6 : de kosten voortvloeiend uit de aanvullende voordelen, waarin voorzien wordt door de sociale akkoorden van 4 juli 1991, 22 november 1991, 1 maart 2000 en 28 november 2000,
toegekend aan het ziekenhuispersoneel waarvan de financiering geheel of gedeeltelijk ten laste valt van de erelonen en die hun oorsprong vinden in de in artikel 95, 2º,
van de wet op de ziekenhuizen bedoelde gezondheidsverstrekkingen
- B7 : de specifieke kosten voor de specifieke taken op het gebied van de patiëntenzorg, het klinisch onderricht,
het toegepast wetenschappelijk onderzoek, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de evaluatie van de medische activiteiten
- B8 : de specifieke kosten van een ziekenhuis met een op sociaaleconomisch vlak zeer zwak patiënten profiel
- B9: de kosten voortvloeiend uit de aanvullende voordelen, waarin voorzien door het Akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren van 26 april 2005
afgesloten tussen de federale regering en de representatieve organisaties van de private non-profitsector en door het protocol nr. 148/2 van 29 juni 2005,
5 juli 2005 en 18 juli 2005 van het Gemeenschappelijk Comité voor het geheel van de openbare diensten -
garandeert dat de federale overheid de extra kosten dekt die ziekenhuizen sinds 2005 maken door vernieuwde personeelsmaatregelen en
werd wettelijk vastgelegd en wordt jaarlijks budgettair voorzien binnen het reguliere ziekenhuisfinancieringskader.
- Eindeloopbaanmaatregelen: financiële vrijstellingen of compensaties bij de overgang naar pensioen (zoals tijdskrediet of aangepaste werktijden, verkorte werkweek voor oudere werknemers).
- Complement van de attractiviteitspremie: een extra premie bedoeld in punt 10 van het 26 april-akkoord en bevestigd in punt 13 van protocol 148/2 (extra stimulans bovenop bestaande premies).
- Extra vakantiegeld voor statutair personeel (verhoging boven standaard wettelijke vakantievergoeding).
- Financiering voor vervanging van statutair personeel dat langere tijd afwezig is (bv. ziekteverlof).
- Jobcreatie: kosten verbonden aan aanwervingen, zoals afgesproken in punt 9.3 van het akkoord en punt 11.5 van protocol 148/2 (ondersteuning voor personeelsuitbreiding in ziekenhuizen).
- Deel C: Correcties en inhoudingen
- C1 : de aanloopkosten
- C2 : de kosten met betrekking tot vorige of lopende dienstjaren die via inhaalbedragen worden gerectificeerd
- C3 : het te verminderen bedrag voor de kamers met 1 bed en met 2 bedden, waarvoor overeenkomstig artikel 90 van de wet op de ziekenhuizen, supplementen boven het budget van financiële middelen worden geïnd
- C4 : het geraamd teveel aan ontvangsten voor een bepaald dienstjaar voor wat de Sp-diensten voor palliatieve zorgen, de eenheden voor zware brandwonden en de psychiatrische ziekenhuizen betreft
Verschuiving van bevoegdheden van de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid naar de gemeenschappen
De verschuiving van bevoegdheden van de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid naar de gemeenschappen, in de context van de zesde staatshervorming, betreft
een belangrijke overdracht van financiering en verantwoordelijkheid voor ziekenhuisinfrastructuur.
Dit omvat de elementen A1 (afschrijvingen en lasten van uitrusting) en C1 (bijkomende financiering voor infrastructuur) van het Budget van Financiële Middelen (BFM).
Deze elementen vertegenwoordigen een substantieel deel van de overheveling,
met name ongeveer 9% van het BFM (vaak gerelateerd aan de investeringsenveloppe die naar de deelstaten gaat).
De gemeenschappen werden verantwoordelijk voor het beleid inzake infrastructuur, terwijl de federale overheid de functioneringskosten (via RIZIV) behield.
De overdracht maakte deel uit van een bredere evolutie waarin de gemeenschappen bevoegd werden voor het bepalen van de erkenningsnormen en de investeringsfinanciering van ziekenhuizen.
B1 - de kosten voor de gemeenschappelijke diensten
Onderdeel B1 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen betreft de kosten voor de gemeenschappelijke diensten,
ook wel de "gemeenschappelijke functionele eenheden" genoemd. Dit is een cruciaal onderdeel van het financieringsmechanisme van ziekenhuizen
en is bedoeld om de werkingskosten te dekken van de ondersteunende diensten die niet direct aan een specifieke patiëntenzorgactiviteit gekoppeld zijn,
maar wel noodzakelijk zijn voor de goede werking van het ziekenhuis.
Wat valt er onder B1: Gemeenschappelijke diensten?
Enkele typische diensten die hieronder vallen:
- Apotheek
- Centrale sterilisatie
- Informatica en administratieve diensten
- Keuken, schoonmaak, wasserij
- Veiligheidsdiensten
- Transport van patiënten of stalen binnen het ziekenhuis
- Archief, boekhouding, personeel en beheer
Het B1-gedeelte wil deze "overhead"- of ondersteunende kosten gedeeltelijk of volledig dekken via het BFM.
Wat heeft een positief effect op B1 (verhoogt de financiering)?
- Schaalvoordelen door grotere activiteit:
Meer opnames of daghospitalisaties kunnen leiden tot hogere forfaits, ook voor ondersteunende diensten.
- Efficiëntie en goede rapportering:
Als het ziekenhuis efficiënt rapporteert over haar kostenstructuur (via kostentoerekening of analytische boekhouding),
kan het juiste (en soms hogere) aandeel van kosten worden erkend in de berekening.
- Hogere complexiteit van zorg:
Ziekenhuizen met meer complexe zorg (vb. universitaire ziekenhuizen) kunnen hogere forfaits ontvangen voor gemeenschappelijke diensten.
- Hogere bezettingsgraad:
Volledig of druk bezette bedden verhogen vaak ook het relatieve aandeel van gemeenschappelijke diensten.
Wat heeft een negatief effect op B1 (verlaagt de financiering)?
- Lage activiteit of onderbenutting:
Minder patiënten betekent minder toekenning van forfaitaire bedragen voor gemeenschappelijke diensten.
- Inefficiënte kostenstructuur:
Als een ziekenhuis buitensporig hoge kosten heeft voor ondersteunende diensten zonder dit te kunnen verantwoorden, kan dit leiden tot plafonnering of afwijzing bij toekenning.
- Onvolledige of onjuiste rapportering:
Als de analytische boekhouding niet up-to-date of correct is, kunnen sommige kosten niet aanvaard worden in de berekening.
- Hervormingen of beleidswijzigingen:
De overheid kan via hervormingen (zoals budgettaire saneringen) bepaalde delen van het B1-budget herbekijken of verminderen.
B2 - de kosten voor de klinische diensten (B2 punten)
| B2 punten evolutie - absoluut |
B2 punten evolutie - relatief |
![[B2 Punten]](./B2Punten.png) |
![[B2 Punten Index]](./B2PuntenIndex.png) |
Wat houdt B2 in van het Budget Financiële Middelen?
B2 gaat over de financiering van de kosten voor de klinische diensten, ook bekend als B2-puntenfinanciering
Dit onderdeel dekt de werkingskosten van:
- Verpleegeenheden (klassieke hospitalisatie)
- Intensieve zorg
- Sp-diensten (sp-geriatrie, sp-revalidatie, sp-palliatief, enz.)
- Psychiatrische afdelingen in algemene ziekenhuizen (PAAZ)
Wat wordt precies gefinancierd via B2?
- Verpleegkundig personeel
- Verzorgend personeel, zorgkundigen
- Logistieke ondersteuning op de afdeling
- Werkingskosten van afdelingen (bv. verzorgingsmateriaal, administratie op dienstniveau)
- Infrastructuurgebonden verbruik (bv. linnen, voeding, hygiëne)
Let op: artsenhonoraria vallen hier niet onder.
Hoe werkt het B2-puntensysteem?
Ziekenhuizen krijgen B2-punten toegewezen op basis van:
- Aantal erkende en effectief bezette bedden per type afdeling
- Soort afdeling (bv. intensieve zorgen, acute geriatrie, ...)
- Bezettingsgraad en zorgzwaarte
- Aantal verpleegdagen en soort patiëntenprofiel
De waarde van een B2-punt wordt jaarlijks vastgelegd door de overheid (via KB) en kan variëren.
Wat heeft een positief effect op B2-financiering?
- Hoge (verantwoorde) bezettingsgraad van erkende bedden:
Meer effectieve (verantwoorde) verpleegdagen leidt tot meer B2-punten.
- Afdelingen met hoge zorgzwaarte (bv. intensieve zorg, zware chirurgie, oncologie, ...):
Deze krijgen meer punten per bed dan standaard afdelingen, mede door de zwaarte van de case mix (patiëntenprofiel).
- Nauwkeurige registratie van verpleegdagen per type zorg:
Juiste registratie en codering van intensieve zorgen, zware (post-)chirurgische zorgen, oncologie, enz. verhoogt de puntenaantallen (intensieve zorgprofielen).
- Aanwezigheid van gespecialiseerde klinische diensten:
Bijvoorbeeld transplantatiechirurgie, cardiochirurgie, invasieve cardiologie, stroke unit, erkende borstkliniek, palliatieve eenheid, ...
- Hoge activiteit en efficiënte en effectieve doorstroom:
Snelle efficiënte en effectieve bedrotatie en veel goed georganiseerde korte opnames (bv. dagziekenhuis, heelkunde) kunnen ook voordelig zijn (efficiënt en effectief zorgproces).
Wat heeft een negatief effect op B2-financiering?
- Lage bezettingsgraad of inactieve erkende bedden:
Lege bedden geeft aanleiding tot géén of lagere B2-punten.
- Foutieve of onvolledige (klinische) registratie van verblijven of zorgtypes in het medisch en verpleegkundig dossier, met als gevolg een ontoereikende administratieve, medische en verpleegkundige codering:
Als een acute of SP-opname niet correct kan worden gecodeerd leidt dit tot lagere B2-financiering.
- Sluiting of opschorting van klinische afdelingen:
Fusies of herstructureringen zonder hernieuwing van erkenningen kunnen de B2-puntenbasis verkleinen, mede door de achteruitgang van de case mix (patiëntenprofiel).
- Slechte analytische boekhouding:
Kan leiden tot verlies van punten of niet-erkenning van prestaties:
- Overgang naar ambulante zorg (daghospitalisatie) zonder correct compenserende financiering
Minder klassieke verblijven leidt tot een daling in B2-financiering, tenzij gecompenseerd elders
B2-financiering en B2-punten
In de Belgische ziekenhuisfinanciering verwijst de basiswaarde van een B2-punt naar het bedrag dat een ziekenhuis ontvangt voor bepaalde verstrekkingen
die onder het B2-systeem vallen. Dit systeem is een onderdeel van de forfaitaire en prestatiefinanciering binnen ziekenhuizen.
B2-punten vormen een essentieel onderdeel van het Budget Financiële Middelen (BFM) dat ziekenhuizen ontvangen.
Ze dienen specifiek voor de financiering van verpleegkundige personeelskosten in het ziekenhuis.
Het B2-deel vertegenwoordigt ongeveer 40% van het totale ziekenhuisbudget.
Ziekenhuizen ontvangen B2-punten op basis van het aantal zogenaamde "verantwoorde bedden". Dit aantal is berekend aan de hand van:
- De gemiddelde verblijfsduur per DRG (Diagnosis Related Group)
- De Severity of Illness (SOI) van patiënten binnen het APR-DRG systeem (All Patient Refined Diagnosis Related Groups)
- En factoren zoals leeftijd (>75 jaar)
Hoe werkt het systeem?
- Het totale nationale B2-budget wordt vastgesteld.
- Elk ziekenhuis krijgt een aantal B2-punten toegekend, op basis van zijn verantwoorde activiteit (gewogen zorgzwaarte en verblijfsduur per type afdeling).
- De overheid berekent een basiswaarde per B2-punt door het nationale budget te delen door het totale aantal toegekende punten.
- Elk ziekenhuis ontvangt dan zijn financiering door het aantal punten dat het verdiend heeft te vermenigvuldigen met de basiswaarde per punt:
Toelage = Aantal B2-punten van ziekenhuis × basiswaarde per B2-punt
Basisfinanciering personeelskosten
Differentiatie tussen afdelingen
Niet elke ziekenhuisafdeling ontvangt evenveel punten per bed:
- C-, D-, E-, B- en L-bedden: 1 punt
- M-bedden: 1,46 punten (inbegrepen het bevallingskwartier)
- MIC-bedden: 3,75 punten
- NIC-bedden: 6,25 punten
- IB-bedden: 4,69 punten
- G-bedden: 1,36 punten (met inbegrip van de ergotherapeuten en logopedisten)
- H-bedden: 0,68 punten
- A-bedden: 1,33 punten
- K-bedden: 2 punten
- ...
Dit reflecteert de verschillende vereisten aan personeelsinzet en zorgcomplexiteit.
Voorbeeld: Voor C- en D-bedden geldt 1 punt per verantwoord bed.
- Bepalen van de personeelsnorm per punt:
Voor C- en D-bedden is de norm vastgesteld op 12 Voltijds Equivalenten (VTE) per 30 bedden. Aangezien één verantwoord bed gelijkstaat aan één punt,
berekenen we het aantal VTE per punt als volgt: 12 VTE / 30 bedden = 0,4
- Berekenen van het aantal punten per VTE:
Om te weten hoeveel punten (en dus welk budget) er nodig is om één volledige VTE te financieren, nemen we het omgekeerde van de ratio uit stap 1, namelijk 1 / 0.4 = 2,5 punten per 1 VTE.
- Financiële waardering van de VTE:
De waarde van één B2-punt op 1 juli 2025 is vastgesteld op 37.570,10 Euro. De totale waarde van één VTE wordt berekend door het aantal benodigde punten te vermenigvuldigen met deze puntwaarde:
37.570,10 Euro x 2,5 = 93.925,25 Euro.
Aanvullende financiering
Het aantal basispunten wordt voor de verantwoorde C-bedden, uitgezonderd de C-bedden voor daghospitalisatie, D-, E- en I-bedden, wordt verhoogd op basis van extra punten.
- Financieringsgroep CD:
- Nomenclatuur 20% (CD_NOMENKLATUUR)
- VG-MZG (NRG's) (80%) (CD_NRG) marktaandeel
- Financieringsgroep E:
- Nomenclatuur 70% (E_NOMENKLATUUR)
- VG-MZG (NRG's) (30%) (E_NRG) marktaandeel
- Financieringsgroep I:
- Nomenclatuur (reanimaties) 20% (I_NOMENKLATUUR)
- APR-DRG 40% (NPERCIZ)
- VG-MZG (NRG's) (40%) (I_NRG) decielen
Voor de berekening van de NRG's wordt gebruik gemaakt van Principal Component Analysis (PCA, statistische opbouw), K-means clustering en het theorema van Bayes.
De theorie van Bayes wordt toegepast voor het identificeren van de intensieve zorgperiodes (INT).
Waarom zijn B2-punten belangrijk?
- Ze zorgen ervoor dat ziekenhuizen met een hogere zorgzwaarte of meer complexe zorg extra middelen krijgen.
- Ze helpen tegemoetkomen aan het probleem dat DRG-systemen alleen geen recht doen aan hoogvariabele zorg (zoals multimorbiditeit of zeldzame aandoeningen).
Samengevat:
B2-punten zijn een gewogen maat voor verantwoorde ziekenhuisactiviteit, waarop een belangrijk deel van de Belgische ziekenhuisfinanciering gebaseerd is.
De basiswaarde per punt bepaalt mee hoeveel geld een ziekenhuis ontvangt voor zijn klinische zorgverlening.
Bron: KCE Report 302A, met name sectie 3.2.1 en 3.2.2
Financiering van verpleegeenheden
In het Koninklijk Besluit (KB) betreffende de ziekenhuisfinanciering worden de punten en decielen gebruikt als instrument voor de financiering van verpleegeenheden binnen de ziekenhuizen.
Verschillende onderdelen van het BFM maken gebruik van punten en decielen, zoals bvb. voor de kosten van de medische producten op de verpleegeenheden.
De belangrijkste principes zijn:
- Punten: maat voor werklast en zorgzwaarte
- Punten worden toegekend aan ziekenhuisverpleegeenheden op basis van verschillende activiteits- en zorgparameters, zoals het (verantwoord) aantal verblijfdagen (APR-DRG, SOI, case-mix),
het zorgprofiel van patiënten (NRG), en de structuur van de afdeling (bijv. type pathologie).
- Ze dienen als indicator voor de benodigde personeelsinzet en worden vertaald in een financiële waarde per punt.
- Het aantal punten verschilt naargelang van de erkenningsindex van het bed.
- Decielen: relatieve rangschikking
- Verpleegeenheden worden op basis van hun puntenaantal verdeeld in decielen (10 groepen van gelijke grootte).
- Deze decielen weerspiegelen de relatieve werklast/zorgzwaarte per eenheid vergeleken met andere eenheden van hetzelfde type.
- Het deciel bepaalt hoeveel financiering een eenheid ontvangt, met hogere decielen die doorgaans meer middelen krijgen.
- Ziekenhuizen worden in decielen ingedeeld volgens de stijgende waarde van de verstrekkingen (nomenclatuur).
Per deciel worden de hierboven toegekende punten vermenigvuldigd met een factor die verschillend is naargelang van het deciel.
- Toepassing binnen deel B2 van het budget
- Punten en decielen worden specifiek gebruikt in het kader van B2: budget van de verpleegkundige diensten.
- Dit onderdeel financiert personeelskosten van verpleging, en is een kerncomponent van het variabele budget.
- Jaarlijkse herziening:
- De berekening van punten en indeling in decielen gebeurt jaarlijks, op basis van geactualiseerde gegevens.
- Ziekenhuizen kunnen stijgen of dalen in deciel volgens hun prestaties of wijzigingen in hun patiëntenprofiel.
- Doel: eerlijke en gedifferentieerde financiering
- Het systeem is bedoeld om een gelijkwaardige en objectieve toewijzing van middelen te garanderen.
- Het erkent dat niet alle verpleegeenheden eenzelfde zorgzwaarte hebben, en differentieert dus op basis van werkelijke zorgnoden.
Verstrekkingen die een significante invloed hebben
Uit het Koninklijk Besluit en de Belgische ziekenhuisfinancieringspraktijk blijkt dat bepaalde soorten verstrekkingen (vermeld in de RIZIV-nomenclatuur) een significante invloed hebben op zowel:
- de indeling in decielen voor ziekenhuisverpleegeenheden
- de financiering via punten- en activiteitsparameters.
De belangrijkste categorieën van verstrekkingen zijn:
- Verpleegkundige verstrekkingen met zorgzwaarte:
Verstrekkingen die wijzen op intensieve zorgbehoefte, zoals:
- Toediening van complexe medicatie (bijv. chemotherapie)
- Wondzorg met negatieve druktherapie
- Verzorging van patiënten met multiorgaanfalen of zware infecties
- Beademing, monitoring of continue observatie
Invloed: deze verhogen het aantal zorgpunten per verblijfsdag, wat leidt tot een hogere decielscore van een verpleegeenheid.
N.B.: Artikel 8 (Verpleegkundigen) van de nomenclatuur bepaalt welke verpleegkundige zorgen meetellen, VG-MZG registreert ze, en NRG's gebruiken die data om de zorgzwaarte en financiering van verpleegeenheden te bepalen:
- Een patiënt krijgt meerdere keren per dag IV-medicatie + complexe wondzorg.
- Dit wordt geregistreerd in de VG-MZG.
- Het systeem herkent dit profiel als een hoge NRG-categorie.
- Het ziekenhuis ontvangt daardoor meer punten voor deze patiënt.
- Als veel patiënten zulke profielen hebben, stijgt de eenheid naar een hoger deciel.
- Dat leidt tot een hogere variabele financiering voor de afdeling.
- Technische verstrekkingen door artsen:
Bijvoorbeeld:
- Dialyse
- Interventionele cardiologie
- Neurochirurgische ingrepen
- Orthopedische ingrepen (gewrichtsvervangingen)
- Endoscopische procedures met biopsie of therapie
Invloed: deze technische verstrekkingen worden vaak geleverd aan patiënten op diensten met hoge zorgcomplexiteit, en verhogen het profiel van de eenheid.
- Intensieve en gespecialiseerde zorgen (IC/MIC/NIC):
Codegroepen gelinkt aan:
- Intensieve zorg (MIC = maternale intensieve zorgen, NIC = neonatale intensieve zorgen)
- Continue bewaking, sedatie of hemodynamische ondersteuning
Invloed: deze hebben directe impact op de decielindeling van intensieve diensten en trekken aanzienlijke budgetten aan via variabele parameters.
- Chronische en geriatrische zorgprestaties:
Prestaties rond:
- Functionele revalidatie
- Geriatrische evaluatie
- Cognitieve en gedragsbegeleiding
Invloed: minder acuut, maar relevant voor de Sp-, G- en geriatrische diensten, die aparte vergoedingsmechanismen kennen.
- Dagziekenhuisverstrekkingen:
Prestaties in een ambulante context, zoals:
- Infuustherapie
- Kleine ingrepen onder lokale anesthesie
- Oncologische behandeling zonder overnachting
Invloed: telt mee in de prestatiegebonden financiering en beïnvloedt het variabel deel van het budget voor daghospitalisatie-eenheden.
Samenvattend kunnen we stellen, dat de meest invloedrijke verstrekkingen op decielen en financiering zijn die welke:
- zorgintensiteit en medische complexiteit weerspiegelen
- gepaard gaan met hoge werklast voor verpleegkundigen*
- frequent en structureel worden geregistreerd (Tar/Fac proces)
* Artikel 8-verstrekkingen worden geregistreerd binnen de VG-MZG-structuur door ze te koppelen aan de overeenkomstige VG-MZG-codes.
Deze codes zijn gebaseerd op de Nursing Interventions Classification (NIC) en zijn aangepast aan de Belgische context.
B3 - de werkingskosten voor medisch-technische diensten
Onderdeel B3 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen heeft betrekking op de werkingskosten voor medisch-technische diensten.
Dit onderdeel is bedoeld om de kosten te dekken van medische activiteiten die technisch van aard zijn
en vaak een ondersteunend karakter hebben ten opzichte van de directe patiëntenzorg.
Wat valt er onder B3: Werkingskosten medisch-technische diensten?
B3 omvat de financiering van de werkingskosten voor diensten die technische of medische handelingen verrichten, meestal op voorschrift van een arts.
Denk daarbij aan:
- Radiologie / medische beeldvorming
- Klinisch laboratorium (biochemie, microbiologie, hematologie...)
- Anatomopathologie
- Functieonderzoeken (ECG, EEG, spirometrie, enz.)
- Nucleaire geneeskunde
- Endoscopie
- Diensten voor medische consultaties met specifieke apparatuur
Het gaat niet om de honoraria van artsen, maar om de ondersteunende kosten: personeel (assistenten, technici), onderhoud van apparatuur, verbruiksgoederen, ICT, enz.
Hoe wordt B3 berekend?
B3 wordt grotendeels berekend op basis van:
- De geleverde prestaties in die medisch-technische diensten (aantal onderzoeken, soorten prestaties, enz.)
- Wegingsfactoren die rekening houden met het type prestatie en de complexiteit
- Kostenprofielen van vergelijkbare ziekenhuizen of nationale gemiddelden (benchmarking)
Er is ook een element van plafonnering of aanpassing aan budgettaire enveloppes, wat wil zeggen dat het bedrag soms politiek wordt bijgestuurd.
Wat heeft een positief effect op B3?
- Hoge activiteit in medisch-technische diensten:
Meer (technische) prestaties = hogere toekenning via B3.
- Hoogtechnologische of complexe onderzoeken:
Deze krijgen een hogere wegingsfactor en dus meer financiering.
- Efficiënt beheer met correcte registratie
Correcte en volledige registratie van onderzoeken leidt tot betere vergoeding.
- Investering in geaccrediteerde of erkende apparatuur:
Sommige types apparatuur geven recht op betere financiering (bv. CT, MRI).
- Ziekenhuizen met specifieke erkenningen of profielen:
Universitaire ziekenhuizen of ziekenhuizen met referentiefuncties krijgen soms hogere B3-middelen.
De activiteiten van de medisch technische diensten dienen daarbij evenwel in een zekere relatie te staan tot de case mix (patiëntenmix) van het ziekenhuis en gerelateerd aan
internationale en wetenschappelijk onderbouwde praktijkvoering (multidomein coherentie en consistentie).
Dit is met statistische analysetechnieken relatief eenvoudig in kaart te brengen.
Wat heeft een negatief effect op B3?
- Lage output of onderregistratie van prestaties:
Minder geregistreerde onderzoeken = lagere B3-toekenning.
- Verouderde of niet-erkende apparatuur:
Leidt tot lagere erkenning van prestaties, of uitsluiting.
- Slechte kostentoerekening:
Als uit de analytische boekhouding blijkt dat de kostenstructuur inefficiënt is, kan dit een negatieve impact hebben.
- Beleidsmatige budgetbeperkingen (macro-plafond):
Als op nationaal niveau het BFM moet worden verlaagd, kan ook B3 geraakt worden.
- Concurrentie met private centra:
Wanneer ziekenhuisdiensten verdrongen worden door privépraktijken (zoals labo’s of medische beeldvorming),
Optimalisatie van B3 via interne boekhouding (analytische boekhouding)
De analytische boekhouding is een sleutelinstrument om kosten correct toe te wijzen aan medische prestaties en diensten.
Een goede interne kostentoewijzing helpt het ziekenhuis om het correcte bedrag via B3 te verkrijgen.
Concreet betekent dit:
- Nauwkeurige toewijzing van kosten aan medisch-technische eenheden:
Bijvoorbeeld: verbruik van reagens in het labo moet correct gelinkt zijn aan uitgevoerde analyses.
- Uitwerken van kostenprofielen per dienst en per prestatie:
Door kosten toe te wijzen per soort onderzoek (bv. een CT-scan versus een gewone RX), krijgt men een realistische inschatting van werkelijke uitgaven.
- Benchmarking met andere ziekenhuizen:
Men vergelijkt kosten en prestaties om te zien of men binnen aanvaardbare normen zit. Als het ziekenhuis duurder werkt dan gemiddeld,
wordt het moeilijker om de financiering te behouden of verhogen.
- Detectie van verlieslatende activiteiten:
Sommige onderzoeken brengen minder op dan ze kosten; via de boekhouding kan men nagaan waar men moet bijsturen.
Optimalisatie van B3 via samenwerking met artsen
Artsen (vooral specialisten zoals radiologen, klinisch biologen, anesthesisten, enz.) spelen een cruciale rol in het verantwoord optimaliseren van de prestaties in de medisch-technische diensten
in relatie tot de case mix (patiëntenmix) van het ziekenhuis.
Dit houdt in:
- Stimuleren van correcte en volledige registratie van prestaties:
Veel ziekenhuizen investeren in training, digitalisering en terugkoppeling via dashboards (BI),
om ervoor te zorgen dat elke uitgevoerde prestatie ook correct wordt geregistreerd (via EPD of specifieke softwaremodules).
- Afstemmen van medisch beleid met financiële doelstellingen:
Bijvoorbeeld: radiologen worden aangemoedigd om te kiezen voor onderzoeken die effectief nodig zijn en financieel evenwichtig zijn
(wetenschappelijk onderbouwd, evidence-based maar ook kostenefficiënt en -effectief).
- Artsen betrekken bij keuzes rond apparatuur en protocollen:
Door artsen inhoudelijk te laten meedenken over welke technologieën worden aangekocht en hoe die ingezet worden, vermijdt men over- of ondergebruik van dure apparatuur
in relatie tot de case mix (patiëntenmix) van het ziekenhuis.
- Monitoren van output per arts of dienst:
In sommige ziekenhuizen wordt de activiteit (bv. aantal analyses per klinisch bioloog) actief opgevolgd om onderproductie of inefficiëntie,
in relatie tot de case mix (patiëntenmix) van het ziekenhuis, tijdig te signaleren.
- Afspraken rond taakverdeling:
Bijvoorbeeld: bepaalde onderzoeken die vroeger (slechts) in gespecialiseerde centra gebeurden, worden nu in het ziekenhuis geïntegreerd
(meer verantwoorde eigen output = meer B3-middelen).
B4 - de kosten die gedekt worden door het bijzonder bedrag voorzien in artikel 99 van de wet op de ziekenhuizen evenals de kosten die op een forfaitaire wijze worden gedekt
Onderdeel B4 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen is een iets complexer maar belangrijk onderdeel.
Het omvat kosten die buiten de klassieke ziekenhuiswerking vallen, maar die wel essentieel zijn voor bepaalde zorgtypes of patiëntengroepen.
De financiering gebeurt via bijzondere forfaits of specifieke bepalingen, zoals artikel 99 van de Ziekenhuiswet.
Wat is B4 precies?
B4 bevat twee grote groepen van kosten:
- Kosten gedekt door het bijzonder bedrag voorzien in artikel 99 van de Ziekenhuiswet:
Artikel 99 van de Ziekenhuiswet van 7 augustus 1987 laat toe om aan ziekenhuizen een bijzonder bedrag toe te kennen voor de financiering van:
- Specifieke opdrachten (bijvoorbeeld universitaire functies, referentiecentra voor zeldzame aandoeningen)
- Experimenten of innovatieve zorgvormen
- Pilootprojecten of hervormingen die nog niet in het reguliere budget passen
Dit bedrag wordt toegekend op beslissing van de federale overheid, meestal tijdelijk of met jaarlijkse verlenging.
- Kosten die op forfaitaire wijze worden gedekt:
Dit verwijst naar een reeks vaste bedragen die ziekenhuizen ontvangen voor specifieke zorgvormen, zoals:
- Pediatrische oncologie
- Geriatrische daghospitalisatie
- Palliatieve zorg
- Zorgprogramma's zoals dialyse of pijnkliniek
- Zorg voor patiënten met chronische aandoeningen
- Geïntegreerde diensten voor thuisverzorging (GDT)
Deze bedragen zijn niet activiteit-afhankelijk zoals B3 of B1, maar eerder gebaseerd op:
- Aantal beschikbare erkende bedden of eenheden
- Erkenningen en zorgprogramma's
- Geografische of beleidsmatige factoren
Wat heeft een positief effect op B4?
- Specifieke erkenningen en zorgprogramma's:
Hoe meer programma’s of erkende functies een ziekenhuis aanbiedt, hoe meer B4-financiering mogelijk is.
- Deelname aan pilootprojecten of hervormingsprogramma's:
Denk aan geïntegreerde zorgtrajecten of ziekenhuisnetwerken.
- Goede onderbouwing bij aanvraag van artikel 99-financiering:
Duidelijke rapportering en verantwoording van de meerwaarde is essentieel.
- Specialisatie en referentiefuncties:
Ziekenhuizen die bijvoorbeeld als referentiecentrum optreden voor bepaalde pathologieën (vb. mucoviscidose) komen sneller in aanmerking voor bijzondere financiering.
- Actieve inzet op chronische en transmurale zorg:
Dit past binnen de visie van gezondheidszorg van de overheid, en wordt beloond via bepaalde forfaitaire bedragen.
Wat heeft een negatief effect op B4?
- Geen of beperkte erkende zorgprogramma’s
Ziekenhuizen zonder geriatrie, oncologie, palliatieve eenheid enz. krijgen weinig tot geen B4-middelen.
- Slechte opvolging of rapportering van artikel 99-projecten
De overheid kan financiering intrekken bij gebrek aan transparantie of doelmatigheid.
- Beperkte samenwerking met de eerstelijnsgezondheidszorg
Bij transmurale zorg (bv. geriatrische daghospitalisatie, GDT) is samenwerking met thuiszorg en huisartsen essentieel. Zonder dit loopt financiering gevaar.
- Beleidswijzigingen of besparingen
Artikel 99-budgetten zijn gevoelig aan beleidswijzigingen of besparingen. Ze kunnen dus ook wegvallen.
B5 - kosten voor de werking van de ziekenhuisapotheek
Onderdeel B5 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen betreft de kosten voor de werking van de ziekenhuisapotheek.
Dit onderdeel is bedoeld om de interne werking van de ziekenhuisapotheek te ondersteunen, los van de terugbetaling van geneesmiddelen zelf
(die via andere kanalen zoals de Riziv-nomenclatuur of aparte terugbetalingsmechanismen lopen).
Wat valt er onder B5: Werking van de ziekenhuisapotheek?
B5 financiert voornamelijk de logistieke, administratieve en personeelsmatige werking van de ziekenhuisapotheek. Het gaat dus niet om de kost van de geneesmiddelen zelf, maar om:
- Farmaceutisch personeel (ziekenhuisapothekers, assistenten, logistiek personeel)
- Infrastructuur en materiaal voor opslag, bereiding en distributie
- Automatisatie en traceersystemen (bv. medicatieverdeeltoestellen, track & trace)
- Kwaliteitscontrole en validatie (steriele bereidingen, cytostatica, traceerbaarheid)
- Logistiek en distributie binnen het ziekenhuis (bv. naar afdelingen, OK, spoed)
Wat heeft een positief effect op B5-financiering?
- Groot ziekenhuis met veel bedden of activiteit:
De financiering is deels afhankelijk van het volume en de zorgactiviteit. Meer patiënten = meer medicatieverdeling = meer middelen nodig.
- Complexe en gespecialiseerde zorg (vb. oncologie, intensieve zorg):
Vereist meer farmaceutische ondersteuning en bereidingen en recht daardoor op hogere financiering.
- Correcte registratie van farmaceutische prestaties:
Denk aan traceerbaarheid, distributie, herverpakking en steriele bereidingen. Dit beïnvloedt de toekenning van middelen.
- Investeringen in automatisatie en efficiëntie:
Ziekenhuizen die investeren in geavanceerde systemen kunnen hun werking optimaliseren en aantonen dat ze hun middelen efficiënt gebruiken.
- Goede samenwerking met artsen en verpleging:
Farmaceutische validatie van voorschriften en therapieën draagt bij aan rationeel geneesmiddelengebruik, wat beleidsmatig wordt aangemoedigd.
Wat heeft een negatief effect op B5-financiering?
- Kleine schaal of lage activiteit:
Minder patiënten en minder verbruik betekent een kleinere basis voor B5-financiering.
- Beperkte registratie of analytische boekhouding:
Als de kosten en prestaties van de ziekenhuisapotheek niet correct geregistreerd zijn, kan het ziekenhuis onvoldoende B5-financiering aantonen of verkrijgen.
- Slechte stock- of voorraadbeheer:
Dit leidt tot verspilling en inefficiënt gebruik van middelen, wat de overheid negatief evalueert bij budgettaire controles.
- Geen steriele of oncologische bereidingen in eigen beheer:
Als men dit uitbesteedt of niet aanbiedt, mist men potentiële bijkomende financiering.
- Beleidsmatig ingrijpen of besparingsrondes:
Zoals bij andere BFM-onderdelen, kan de overheid ingrijpen in het toegekend bedrag op basis van algemene budgettaire doelstellingen.
Belangrijk onderscheid
B5 financiert de werking van de apotheekdienst. De kost en terugbetaling van geneesmiddelen zelf vallen onder andere financieringsstromen, zoals:
- Farmaceutische specialiteiten via de RIZIV-terugbetaling
- Niet-terugbetaalbare geneesmiddelen (ten laste van ziekenhuis of patiënt)
- Zeer dure geneesmiddelen
Mogelijkheden tot optimalisatie van B5-financiering
Een Belgisch ziekenhuis kan zijn apotheekwerking optimaliseren door tegelijk in te zetten op efficiëntie, kwaliteit, traceerbaarheid én samenwerking met andere zorgactoren.
Hieronder vind je bij wijze van voorbeeld een overzicht van strategische, operationele en beleidsmatige optimalisaties,
m.i. in enige mate afgestemd op de Belgische context en regelgeving (zoals BFM, FAGG, RIZIV, enz.).
Automatisatie en digitalisering
Verlaagt fouten, verhoogt efficiëntie, verbetert traceerbaarheid en ondersteunt correcte registratie voor financiering (zoals B5).
- Geautomatiseerde medicatieverdeeltoestellen (bv. unit dose-systemen op afdelingen)
- Robotisering van opslag en picking in de apotheek
- Elektronisch voorschrift met farmaceutische validatie in real time
- Track & trace-systemen (vb. GS1-labeling) voor distributie en heropsporing
Verbeteren van farmaceutische validatie
Een goede validatie van medicatievoorschriften door de ziekenhuisapotheker voorkomt fouten, onnodige kosten en draagt bij aan rationeel geneesmiddelengebruik (ondersteund door het RIZIV).
- Integratie van apothekers in het EPD-voorschriftproces
- Farmaceutische toezicht op interacties, doseringen, duplicaties
- Samenwerking met artsen bij protocollering (vb. antibiotica, oncotherapie)
Optimalisatie van voorraadbeheer
Te grote stock = kapitaalverlies; te kleine stock = leveringsrisico. Efficiënt beheer verlaagt kosten en verspilling.
- ABC-analyse van geneesmiddelen (kosten- en rotatieanalyse):
- A-artikelen:
Dit zijn de meest waardevolle artikelen, die een groot deel van de totale kosten of omzet vertegenwoordigen. Ze vereisen intensieve aandacht en nauwkeurig beheer.
- B-artikelen:
Dit zijn artikelen met een gemiddelde waarde. Ze krijgen minder aandacht dan A-artikelen, maar nog steeds meer dan C-artikelen.
- C-artikelen:
Dit zijn de minst waardevolle artikelen, die een kleine bijdrage leveren aan de totale kosten of omzet. Ze krijgen de minste aandacht.
- Just-in-time levering bij strategische partners (vb. groothandelaars)
- Consignatie voor dure geneesmiddelen (vb. oncologie):
Consignatie van geneesmiddelen, in de context van geneesmiddelen, betekent dat een partij (meestal een apotheker)
geneesmiddelen bewaart voor een ander.
Centrale bereidingen en magistrale productie
Ziekenhuisapotheken met een eigen bereidingsfunctie (vb. oncologie, pediatrie, parenterale voeding) kunnen prestaties en expertise intern houden én B5-financiering verhogen.
- Infrastructuur opbouwen voor steriele en aseptische bereidingen volgens GMP-normen
- Samenwerking in netwerken: centrale bereidingsunit per ziekenhuisnetwerk
- Gebruik maken van "batching" en voorverpakkingen
Samenwerking in ziekenhuisnetwerken (locoregionaal)
Efficiëntie en schaalvoordelen door taken en stock te delen tussen apotheken binnen een netwerk.
- Gedeelde opslag van zeldzame of dure geneesmiddelen
- Centrale bereidingseenheid per netwerk
- Gezamenlijk aankoopbeleid voor betere prijsafspraken
Farmaco-economisch beleid en standaardisatie
Een goed therapeutisch formularium vermindert onnodige variatie en drukt kosten zonder kwaliteitsverlies.
- Formulariumcommissie met artsen en apothekers
- Gebruik van generieke middelen waar mogelijk
- Standaardbehandelprotocollen bijv. voor infecties of oncologische lijnen
Kwaliteitsbewaking en accreditatie
Voorbereid zijn op inspecties (FAGG), erkenningen en accreditatie (JCI, NIAZ) verbetert werking en imago.
- Standaard operating procedures (SOP's)
- Traceerbaarheid van elke medicatiehandeling
- Regelmatige interne audits en opleiding personeel
Educatie en samenwerking met klinische diensten
De ziekenhuisapotheker als klinisch expert verhoogt de kwaliteit van zorg én vermindert foutief medicatiegebruik (wat financieel en inhoudelijk positief is).
- Klinisch apotheker op geriatrie, intensieve of oncologie
- Ondersteuning bij ontslagmedicatie en medicatieschema's
- Opleidingen voor verpleegkundigen over medicatiebeheer
B6 - bijkomende personeelslasten voor niet-verpleegdagprijspersoneel
Onderdeel B6 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen heeft betrekking op een zeer specifiek deel van de personeelsfinanciering.
Het gaat om de kosten die voortvloeien uit aanvullende voordelen die zijn vastgelegd in sociale akkoorden en toegekend aan bepaalde personeelsleden,
betaald met erelonen en dus niet-verpleegdagprijspersoneel.
Wat houdt B6 precies in?
B6 financiert de bijkomende voordelen voor ziekenhuispersoneel die:
- Vastgelegd zijn in sociale akkoorden (van 1991 en 2000);
- Toegewezen zijn aan personeel gefinancierd via de erelonen van artsen;
- Verbonden zijn aan de gezondheidsverstrekkingen bedoeld in artikel 95, §2 van de Ziekenhuiswet.
Wat zijn die sociale akkoorden?
Het gaat om collectieve akkoorden tussen vakbonden, werkgevers en de overheid, met als doel het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden van ziekenhuispersoneel.
Concreet leggen deze akkoorden vast dat bepaalde extra voordelen (zoals maaltijdcheques, anciënniteitspremies, opleidingsrechten, bijkomende verlofdagen, enz.)
moeten toegekend worden aan personeel dat meewerkt aan prestaties die gefactureerd worden via artsenerelonen (zoals operatiekamerpersoneel, endoscopieverpleegkundigen...).
Wie valt onder B6?
Verpleegkundigen en zorgkundigen die meewerken aan medische prestaties
Technici in operatiekwartieren, cathlabs, endoscopie, pijnklinieken...
Personeel dat niet wordt gefinancierd via B1 (gemeenschappelijke diensten) of B2 (verpleging), maar meegefinancierd wordt via honoraria
Waarom is er een B6-budget?
Omdat deze personeelsleden indirect gefinancierd worden via de honoraria van artsen, konden hun extra sociale voordelen niet automatisch
via de klassieke ziekenhuisbudgetten (B1-B2) gefinancierd worden. Daarom werd B6 toegevoegd aan het BFM als een compenserend mechanisme.
Het B6-gedeelte is dus bedoeld om kosten voor sociale voordelen van dit "ander type personeel" te dekken.
Wat heeft een positief effect op B6-financiering?
- Hoge verantwoordbare honorariumactiviteit (veel ingrepen, technische prestaties, consultaties):
Meer prestaties = meer personeel betrokken = hoger B6-budget nodig
- Goede registratie van betrokken personeelscategorieën:
Als het ziekenhuis correct in kaart brengt welke personeelsleden meewerken aan artikel 95-prestaties
- Complexe technische diensten (vb. operatiekwartier, endoscopie, radiologie):
Deze hebben vaker personeel dat valt onder het toepassingsgebied van de sociale akkoorden, wat leidt tot meer financiering
- Aanwezigheid van daghospitalisatie en technische diensten met intensief gebruik:
Dit verhoogt het aantal prestaties dat onder de regeling valt
Wat heeft een negatief effect op B6-financiering?
- Lage of slecht geregistreerde honorariumactiviteit:
Minder of onvolledig gemelde prestaties, waardoor een lager aandeel B6
- Personeel dat ten onrechte onder andere budgetposten valt:
Bijvoorbeeld: personeel dat effectief aan honorariumactiviteiten meewerkt, maar foutief ingeboekt wordt onder B1 of B2
- Gebrek aan transparantie in de analytische boekhouding:
Als het ziekenhuis niet goed aantoont welke personeelskosten door honoraria gefinancierd worden, loopt het B6-middelen mis
- Afbouw of outsourcing van technische diensten:
Bij uitbesteding van technische prestaties (vb. endoscopie in privélabo) daalt de interne activiteit en dus de nood aan B6-financiering
Hoe kan een ziekenhuis op een verantwoorde wijze B6 optimaliseren?
- Voer een analyse uit van alle personeelsleden die bijdragen aan honorariumprestaties
- Zorg voor een nauwkeurige analytische boekhouding en personeelsallocatie
- Investeer in interne technische diensten i.p.v. outsourcing
- Houd de sociale akkoorden correct up-to-date in de HR-administratie
B7 - universitaire functie
Onderdeel B7 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen is een gericht budget voor specifieke,
bijkomende opdrachten die verder gaan dan de gewone ziekenhuiszorg.
B7 heeft als doel meerwaarde-activiteiten van universitaire ziekenhuizen en bepaalde algemene ziekenhuizen met een gedeeltelijke universitaire functie financieel te ondersteunen.
Wat houdt B7 precies in?
B7 financiert specifieke kosten die voortvloeien uit speciale opdrachten op vijf domeinen:
- Patiëntenzorg - vooral zeer complexe of gespecialiseerde zorg
- Klinisch onderricht - opleiding van artsen-specialisten in opleiding (ASO,s) of verpleegkundigen
- Toegepast wetenschappelijk onderzoek - onderzoek dat direct relevant is voor de zorgpraktijk
- Ontwikkeling van nieuwe technologieën - zoals innovatieve behandelingen of medisch-technische toepassingen
- Evaluatie van medische activiteiten - kwaliteitsmetingen, outcome-analyse, zorgverbeterprojecten
Dit budget is dus bedoeld voor universitaire of hooggespecialiseerde ziekenhuizen die buiten hun basiszorg ook structureel investeren in innovatie, onderwijs en wetenschap.
Voor wie is B7 bedoeld?
- Vooral voor universitaire ziekenhuizen (UZ)
- Ook sommige niet-universitaire algemene ziekenhuizen (AZ) met specifieke erkenningen of samenwerkingsverbanden
(bijv. referentiecentra of ziekenhuizen in netwerken met opleidingsverantwoordelijkheid)
Wat dekt B7 concreet?
Vergoeding voor artsen die ASO's begeleiden tijdens hun opleiding
Kost van onderzoekspersoneel of wetenschappelijke infrastructuur
Kosten voor evaluatie van zorgkwaliteit (bv. PROMs, patiëntveiligheidssystemen)
Projectmatige uitgaven voor innovatie (vb. implementatie van AI, nieuwe zorgmodellen)
Wat heeft een positief effect op B7-financiering?
- Erkenning als universitair ziekenhuis of opleidingscentrum:
Formele erkenning en samenwerking met een universiteit of hogeschool verhoogt de B7-basis
- Actieve opleiding van artsen-specialisten en verpleegkundigen:
Hoe meer ASO's/VSO's in goed ontwikkelde en kwaliteitsvolle opleidingstrajecten, hoe meer structurele ondersteuning mogelijk
- Publicaties en participatie in klinisch onderzoek:
Ziekenhuizen die aantonen dat ze kwaliteitsvol innovatief onderzoek doen, worden sterker ondersteund
- Implementatie van nieuwe technologieën of pilootprojecten:
Bv. robotchirurgie, AI-gestuurde triage, telemonitoring bij hartfalen, zorginnovatie, ...
- Kwaliteitsmetingen en zorgtrajectanalyse:
Systematische opvolging van medische uitkomsten (bv. benchmarking van chirurgie) verhoogt relevantie en impact
- Nationale of internationale samenwerking:
Deelname aan Europese projecten, netwerken, of nationale kwaliteitsprojecten wordt vaak beloond
Wat heeft een negatief effect op B7-financiering?
- Geen formele band met universiteit of erkend opleidingscentrum:
Geen ASO's opleiden = geen onderricht = weinig tot geen B7-middelen. Opleidingsplaatsen verliezen door een gebrek aan kwaliteit en begeleiding.
- Beperkte of afwezige onderzoeksactiviteit:
Als het ziekenhuis weinig tot geen klinisch toegepast onderzoek doet
- Geen systematische evaluatie van medische activiteiten:
Afwezigheid van outcome-meting, patiëntveiligheidsprojecten of interne kwaliteitswerking
- Beperkte investering in innovatie of technologie:
Geen of trage implementatie van nieuwe technieken of digitale tools
- Foutieve of onvolledige rapportering naar de overheid:
B7 vereist goed onderbouwde rapportage (vb. aantal ASO's, projecten, resultaten)
B8 - voor ziekenhuizen met een sociaal-economisch zeer zwak patiëntenprofiel
Onderdeel B8 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen is bedoeld als compensatie voor ziekenhuizen die een zeer kwetsbare,
sociaal-zwakke patiëntenpopulatie bedienen. Het erkent dat zorg voor mensen met een lage sociaaleconomische status (SES) vaak complexer,
intensiever en duurder is, terwijl de klassieke financieringsmechanismen daar onvoldoende rekening mee houden (SDOH).
Wat is het doel van B8?
B8 erkent dat gelijke (curatieve) zorg niet gelijkstaat aan gelijke kosten, en probeert de ongelijkheid in toegang, begrip en opvolging bij sociaal kwetsbare patiënten te compenseren,
zodat ziekenhuizen blijven investeren in toegankelijke en sociale zorg. Men probeert op die manier (enigszins) de ontwikkeling van medische woestijnen af te remmen binnen de context
van een prestatiegestuurde (fee-for-service) geneeskunde.
Wat houdt B8 precies in?
B8 dekt de "specifieke kosten" die ontstaan wanneer een ziekenhuis een groot aandeel sociaal en economisch kwetsbare patiënten behandelt, zoals:
- Mensen met een laag inkomen
- Patiënten zonder vaste verblijfplaats
- Personen zonder wettig verblijf of sociale zekerheidsrechten
- Chronisch werklozen
- Dak- en thuislozen
- Vluchtelingen of mensen zonder mutualiteit
- Zeer laaggeletterden of mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden
B8 is dus een compensatiemechanisme voor de hogere zorgnood en begeleidingskosten bij deze patiënten, bijvoorbeeld:
- Meer nood aan maatschappelijk werk of tolkdiensten
- Lagere therapietrouw of complexe opvolging
- Meer spoedopnames of niet-geplande zorg
- Minder daghospitalisatie, meer klassieke opnames
- Moeilijkheden bij facturatie of terugbetaling
Hoe wordt B8 toegekend?
De overheid gebruikt een risico-inschatting op basis van het patiëntenprofiel, onder andere via:
- Socio-economische gegevens van patiënten (o.b.v. gegevens van de Kruispuntbank, mutualiteit, sociale statuten)
- Aantal patiënten met verhoogde tegemoetkoming (VT-statuut)
- Aantal patiënten zonder mutualiteit
- Percentage zorg met onbetaalde facturen (debiteuren)
- Geografische ligging van het ziekenhuis (vb. achtergestelde wijken/stadsdelen)
Ziekenhuizen met bovenmatig hoge scores op deze indicatoren krijgen een bijkomend bedrag via B8.
Wat heeft een positief effect op B8-financiering?
- Hoog percentage patiënten met verhoogde tegemoetkoming (VT-statuut):
Duidt op lage inkomens en verhoogde zorgbehoefte (praxis pauperum)
- Ziekenhuis gelegen in sociaal kwetsbare regio (bv. centrumsteden):
Vooral stedelijke ziekenhuizen in Brussel, Antwerpen, Luik, Charleroi, ...
- Veel patiënten zonder mutualiteit of met betalingsmoeilijkheden:
Bijvoorbeeld transmigranten, mensen zonder papieren
- Registratie en opvolging van sociaal profiel:
Hoe beter de registratie van deze kenmerken, hoe correcter (en vaak hoger) de B8-toekenning
- Hoge inzet van maatschappelijk werk, sociaal verpleegkundigen:
Dit toont dat het ziekenhuis effectief inspanningen doet om zorg toegankelijk te maken voor kwetsbare groepen
Wat heeft een negatief effect op B8-financiering?
- Ziekenhuis met overwegend hoger- of middenklasse patiëntenpopulatie:
Bijvoorbeeld in voorstedelijke of rijke regio’s (praxis aurea)
- Slechte of onvolledige registratie van sociaal profiel:
Als kenmerken zoals VT-statuut of mutualiteit ontbreken in het ziekenhuisinformatiesysteem
- Patiënten worden gedeclareerd via andere instellingen (vb. OCMW):
Dit kan leiden tot onderschatting van het echte profiel van de patiënten die effectief behandeld worden
- Verhuis of fusie naar regio met minder kwetsbare populatie:
Dit kan resulteren in een daling van de B8-middelen
Wat zijn enkelel nadelen van prestatiegeneeskunde voor mensen met lage SES
Hogere financiële drempels
- In een fee-for-service systeem leidt elke aparte handeling tot een aparte kost voor de patiënt.
- Mensen met lage SES stellen zorg uit omwille van kostenangst (raadpleging, medische beeldvorming, opvolging...).
- Minder kans dat ze aanvullende verzekering of hospitalisatieverzekering hebben.
Gevolg: laattijdige zorg, slechtere prognoses, meer spoedopnames.
Minder geïntegreerde of preventieve zorg
- Fee-for-service beloont acute prestaties, maar niet gecoördineerde complexe transmurale en multidisciplinaire chronische opvolging of preventie.
- Patiënten met lage SES hebben vaak meerdere chronische aandoeningen (COPD, diabetes, hypertensie, ...), maar krijgen onvoldoende gecoördineerde opvolging.
- Sommige infectieuze aandoeningen worden negatief beïnvloedt worden een lage SES (bvb. TBC, ...)
Gevolg: geen continuïteit van zorg, fragmentatie, verlies aan efficiëntie.
Overconsumptie voor wie kan betalen, onderconsumptie voor wie niet kan
- Zorgverstrekkers hebben een prikkel om meer prestaties te leveren bij wie kan betalen.
- Bij kwetsbare groepen is er vaak net zorgvermijding door financiële of logistieke obstakels.
Gevolg: groeiende ongelijkheid in zorggebruik, ondanks gelijke medische noden.
Beperkte tijd voor complexere psychosociale problemen
- Het systeem beloont volume, niet complexiteit of intensiteit van begeleiding.
- Lage SES-patiënten hebben vaker psychosociale noden (taalproblemen, stress, laaggeletterdheid, multiproblematiek), waarvoor artsen op zich geen extra vergoeding krijgen.
Gevolg: kortere consultaties, minder begrip, slechtere therapietrouw.
Beperkte samenwerking tussen zorgverleners
- Fee-for-service vergoedt individueel werk, niet teamzorg of overleg.
- Lage SES-patiënten hebben net baat bij multidisciplinaire zorg (arts, maatschappelijk werker, psycholoog, ...).
Gevolg: zwakke coördinatie, dubbele onderzoeken, slechtere opvolging.
Administratieve complexiteit en barrières
- Elke prestatie moet gecodeerd, gedeclareerd en goedgekeurd worden.
- Voor lage SES-patiënten met taalproblemen, beperkte digitale toegang of geen mutualiteit is dit extra moeilijk.
Gevolg: niet ingediende prestaties, onbetaalde facturen, schuldopbouw.
Geen stimulans voor sociale determinanten van gezondheid
- Fee-for-service houdt geen rekening met sociale context (woning, inkomen, gezin).
- Het systeem beloont medische interventies, maar niet sociale ondersteuning of outreach.
Gevolg: structurele oorzaken van slechte gezondheid blijven onaangeroerd (SDOH).
B9 - eindeloopbaanmaatregelen
Onderdeel B9 van het Budget Financiële Middelen (BFM) van de Belgische ziekenhuizen betreft de financiering van de kosten die voortvloeien uit aanvullende sociale
voordelen voor het ziekenhuispersoneel. Deze voordelen zijn het gevolg van sociale akkoorden uit 2005, gericht op het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden in de gezondheidszorgsector.
Belang van B9 in het ziekenhuisbeleid
B9 helpt ziekenhuizen de sociale voordelen te financieren zonder extra druk op het eigen budget, maar is verplicht gekoppeld aan de toepassing van die voordelen.
Ziekenhuizen moeten dus effectief de afspraken uit de sociale akkoorden toepassen, anders riskeren ze verlies van financiering of zelfs juridische gevolgen.
Wat houdt B9 precies in?
B9 is bedooed voor de financiering van kosten verbonden aan sociale akkoorden van 2005
Concreet gaat het om:
- Het "Akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren" van 26 april 2005
- En het "Protocol nr. 148/2" van 29 juni, 5 juli en 18 juli 2005 van het Gemeenschappelijk Comité voor de openbare diensten
Deze akkoorden werden gesloten tussen:
- De federale overheid
- De representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties (vooral van de private non-profit en de openbare sector)
Doel van de akkoorden:
Verbeteren van de arbeidsomstandigheden en voordelen van personeel in ziekenhuizen (en breder in de zorgsector), onder meer via:
- Bijkomende sociale voordelen: maaltijdcheques, ecocheques, eindejaarspremies, extra verlofdagen, hospitalisatieverzekering, enz.
- Harmonisatie van loon- en arbeidsvoorwaarden tussen openbare en private instellingen
- Stabilisering en waardering van zorgpersoneel
Voor wie is B9 bestemd?
B9 betreft het ziekenhuispersoneel waarvan de vergoeding ten laste is van het BFM, zoals:
- Verpleegkundigen
- Zorgkundigen
- Paramedici
- Logistiek ondersteunend personeel
- Administratief en technisch personeel (voor zover gefinancierd via BFM)
Het is niet bedoeld voor artsen of personeel gefinancierd buiten het BFM.
Wat heeft een positief effect op B9-financiering?
- Groot personeelsbestand gefinancierd via BFM (vooral verplegend en verzorgend personeel):
Hoe meer personeel dat onder de sociale akkoorden valt, hoe groter de B9-financiering.
- Correcte toepassing van de akkoorden:
Ziekenhuizen die effectief de voordelen (zoals maaltijdcheques, extra verlof, hospitalisatieverzekering) toekennen.
- Volledige en correcte registratie van het betrokken personeel:
Duidelijke personeelsboekhouding en analytische toewijzing (welke posten vallen onder BFM).
- Inclusie van paramedici of ondersteunende functies in het BFM-personeelsbestand:
Bijvoorbeeld kinesisten of laboratoriumpersoneel (als ze niet via honoraria gefinancierd worden).
Wat heeft een negatief effect op B9-financiering?
- Beperkt aantal personeelsleden onder BFM
Bijvoorbeeld bij uitbesteding of bij veel personeel gefinancierd via andere bronnen (zoals erelonen of subsidies).
- Foutieve of onvolledige registratie
Personeel wordt niet correct toegewezen aan BFM-onderdelen dan hiervoor geen B9-bijdrage.
- Niet toepassen van de sociale voordelen uit de akkoorden
Ziekenhuis riskeert sancties of verliest recht op B9-budget als voordelen niet toegekend worden.
- Personeelsvermindering of schaalverkleining
Bij fusie, sluiting van afdelingen of digitalisering kunnen minder werknemers onder BFM vallen wat leidt tot een daling van het B9-budget.
Het Akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren van 26 april 2005
Het Akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren van 26 april 2005 is een sociaal-akkoord tussen de federale overheid en representatieve organisaties
binnen de private non-profitgezondheidssector. Het vormt het fundament voor verschillende personeelsmaatregelen en nalevingsthema’s,
die later via protocol 148/2 verder zijn verfijnd en uitgevoerd, met structurele budgettaire dekking via het ziekenhuis-BFM (o.a. onderdeelB9).
Doelstellingen van het akkoord:
- Sociale bescherming van personeel: betere voorwaarden bij ouderdom, vervangingen, opzegging, enz.
- Gelijkheid tussen instellingen: uniforme toepassing via paritaire overeenkomsten.
- Tijdige budgettaire compensatie: via het BFM wordt de federale overheid verantwoordelijk voor de extra kosten.
- Aantrekken en behouden van personeel: aantrekkelijkere voorwaarden voor sleutelposities.
Het akkoord betreft instellingen binnen de private non-profit federale gezondheidssector, waaronder:
- algemene en psychiatrische ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, beschut wonen
- revalidatiecentra (inclusief abortuscentra), medisch-pediatrische centra
- diensten voor thuisverpleging en geïntegreerde thuiszorg
- diensten "Bloed" van het Rode Kruis
Wat regelt het akkoord (kernmaatregelen):
- Eindeloopbaanmaatregelen
Vrijstelling van arbeidsprestaties voor oudere werknemers (vanaf leeftijdsgrenzen zoals 45, 50, 55). Deze maatregelen komen ook - samen met protocol 148/2 -
in de wetgeving en het BFM-onderdeel B9 terecht
- Aanvullende loonsupplementen
Functie-gerelateerde complementen voor hoofdverpleegkundigen, diensthoofden middenkader en paramedici met ervaring (punt 10 van het april-akkoord).
Correctie van nacht-, zondag- en feestdagpremies (verhoging tot 56%)
- Opzeggingstermijnen en verbrekingsvergoedingen
Verhoogde rechten voor arbeiders bij ontslagna opzegging, volgens paritaire akkoorden in de sector
- Jobcreatie en vervangingsbeleid
Middelen toegewezen voor extra aanwervingen (jobcreatie, punt 9.3). Vervangingen bij ziekte, opleiding of loopbaanonderbreking van personeel
- Compenserende financiering via BFM-component B9
Alle bovengenoemde maatregelen worden financieel gewaarborgd via onderdeel B9 van het Budget Financiële Middelen (BFM) voor ziekenhuizen
Het protocol 148/2 uit 2005
Het protocol nr. 148/2 van 29 juni, 5 juli en 18 juli 2005 is een cruciaal supplement op het Akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren van 26 april 2005,
afsluitend binnen het Gemeenschappelijk Comité voor alle openbare diensten. Dit protocol vormt - samen met het april-akkoord -
de juridische basis voor diverse personeelsmaatregelen binnen de Belgische ziekenhuizen,
die structureel gefinancierd werden via onderdeel B9 van het Budget Financiële Middelen (BFM):
- Eindeloopbaanmaatregelen:
Introduceert vrijstellingstijd voor oudere personeelsleden: een voltijds personeelslid van 45 jaar krijgt bijvoorbeeld jaarlijks 96 verlofuren,
op 50 jaar 192 uur, en op 55 jaar 288 uur, volledig doorbetaald door de werkgever.
- Complement van attractiviteitspremie:
Dit protocol specificeert uitbreiding van de federale aanmoedigingspremies (uit het april-akkoord punt 10),
door te voorzien in aanvullende financiering (punt 13) voor specifieke rollen zoals hoofdverpleegkundigen en paramedici met minstens 18 jaar ervaring.
- Nacht- en feestdagpremies:
Helpt bij de financiering van de stijging van premies voor tewerkstelling 's nachts of op zon- en feestdagen - van 50% naar 56% boven het basisloon.
- Jobcreatie en personeelsvervanging:
Deels voorzien in middelen voor extra jobs (punt 11.5) en vervanging van medewerkers die gebruikmaken van verlofregelingen, of die opleiding volgen - conform paritair akkoord.
Bronnen
Ziekenhuizen (FOD VVVL)
Cijfers en rapporten (FOD VVVL)
Financiering ziekenhuizen (FOD VVVL)
Gezondheidszorginstellingen (FOD VVVL)
Registratiesystemen zorginstellingen (FOD VVVL)
Publicaties MZG (FOD VVVL)
Erkende en verantwoorde bedden (FOD VVVL)
Common Base Registry for HealthCare Actor (CoBRHA, eHealth)
CoBRHA Viewer (Vlaanderen)
Koninklijk besluit (KB) van 25 april 2002
betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, Belgisch Staatsblad 30/05/2002 (Voorheen het Ministerieel besluit van 2 augustus 1986).
K.B. van 25/04/2002 betreffende de ziekenhuisfinanciering (update 10/04/2025).
Koninklijk besluit (KB) houdende coördinatie van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, Belgisch Staatsblad 07/11/2008 p. 58624-58682.
Koninklijk besluit (KB) tot kwalificatie van de supraregionale zorgopdrachten en van de locoregionale zorgopdrachten van de locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken en tot bepaling van het geografisch aanbod
van locoregionale zorgopdrachten van de locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken, gepubliceerd op 01/12/2022, Belgisch Staatsblad p. 88766-88769.
R basics
The Comprehensive R Archive Network (CRAN mirror)
RStudio Desktop (Posit Software)
Copyright notice and disclaimer
The information contained in this website is for general information purposes only.
All views expressed on this site are my own and do not represent
the opinions of any entity whatsoever with which I have been, am now, or will be affiliated.
The information is provided by me in good faith and while I endeavor to keep the information up to date and correct,
I make no representations or warranties of any kind, express or implied, about the completeness,
accuracy, reliability, suitability or availability with respect to the website or the information,
products, services, or related graphics contained on the website for any purpose.
Any reliance you place on such information is therefore strictly at your own risk.
Any information on this website is provided in good faith but no warranty can be
made for its accuracy. As this is a work in progress, it is still incomplete
and even inaccurate. Although care has been taken in preparing the information
contained in my webpages, I do not and cannot guarantee the accuracy thereof.
Anyone using the information does so at their own risk and shall be deemed
to indemnify me from any and all injury or damage arising from such use.
In no event shall I be liable for any loss or damage including without limitation,
indirect or consequential loss or damage, or any loss or damage whatsoever arising from
loss of data or profits arising out of, or in connection with, the use of this website.
Through this website you are able to link to other websites which are not under the my control.
I have no control over the nature, content and availability of those sites. The inclusion of
any links does not necessarily imply a recommendation or endorse the views expressed within them.
Every effort is made to keep the website up and running smoothly. However, I take no responsibility for,
and will not be liable for, the website being temporarily unavailable due to technical issues beyond my control.
These webpages of course represent only personal interests, opinions and ideas and
were created without a commercial goal. You may download, display, print and copy, any material at this website,
in unaltered form only, for your personal use or for non-commercial use within your organization.
Should these webpages or portions of these webpages be used on any Internet
or World Wide Web page or informational presentation, that a link back to
this website
(and where appropriate back to the source document) be established. Send
a short notice by email when you copy these webpages, or part of it for your own use.
To the best of my knowledge, all graphics, text and other presentations
not created by me on my webpages are in the public domain and freely available
from various sources on the Internet or elsewhere and/or kindly provided
by the owner.
If you notice something incorrect or have any questions, feel free to send me an email.
Top of page
As it takes a lot of time to keep the links updated, some may be outdated,
keep me informed if you find outdated links (email address below).
The author of this web page is Peter Van Osta.
Email: pvosta{at}gmail{dot}com